Altolamprologus compressiceps “shell”

Altolamprologus compressiceps "shell"

Altolamprologus compressiceps "shell"

Handelsbenaming: Altolamprologus sp. Sumbu Shell
Lengte: 8 cm - 5 cm
Legsel: 50 eieren
Aquarium: 80 cm - 100 liter
Voeding: Witte, zwarte muggenlaren, mysis, daphnia, artemia, vlokvoer etc.
Verspreiding: Komt voor in Cameron Bay en Nkamba Bay in Zambia.
Habitat: De A. compressiceps “shell” wordt aangetroffen bij op één gehoopte lege slakkenhuis tot een diepten van 28 meter.


Ervaring: Altolamprologus compressiceps “shell” heeft enige tijd de reputatie gedragen moeilijk verkrijgbaar te zijn in de hobby. Ze hebben nooit echt tot een trend of rage behoord, in tegenstelling zijn grotere neven Altolamprologus compressiceps en Altolamprologus calvus. Dit komt veelal omdat ze een lange tijd met mate zijn geïmporteerd en nakweek direct naar handelaren in het buitenland verdween. Sinds enkele jaren worden ze her en der aangeboden en genieten enkele hobbyisten van het houden van deze beestjes. Het gerucht gaat de rondte dat er geen wilde exemplaren meer bestaan, en de laatste populatie leeft onder de aquariumhobby.

Het zijn makkelijke eters en eenmaal gewend aan de verzorger zullen ze naar het wateroppervlak schieten zodra er een hand naar de bak reikt. Alle soorten voedsel worden opgenomen maar er is uiteraard een voorkeur voor levend voer. Wat levend voer betreft gedijen ze het beste op Daphnia en Cyclops.

Deze beestjes zijn bij uitstek geschikt voor een soortaquarium. Dit vooral gezien hun milde aard en de geringe grootte van 5-8 cm. Een volwassen paar kan dan worden gehouden in een aquarium vanaf 100 liter. Het aquarium wordt bij voorkeur ingericht met rotsformaties die voor holen en spleten zorgen. Zorg voor een niet te felle verlichting en een zachte stroming in de bak. Bij keuze hebben ze een voorkeur voor slakkenhuizen afkomstig van zeeslakken, omdat deze een bredere opening hebben en vaak wat groter zijn. Bij gebrek aan slakkenhuizen zullen ze zich ophouden tussen de rotsformaties en wordt er gelijkend ‘hang’ gedrag vertoond zoals deze ook wordt waargenomen bij Paracyprichromis nigripinnis. Verder zijn ze prima te houden met andere relatief rustige soorten zoals Paracyprichromis. Uiteraard kunnen ze ook hun plekje vinden in een gemengd Tanganyika-biotoop, ze zullen enkel wat meer teruggetrokken zijn in een wat onstuimiger omgeving. Het is af te raden om ze te houden met Tropheus (voedsel, drukte), Opthalmotilapia en vissen met vergelijkbare energieke uitspattingen of territoriale neigingen. Houd ze ook niet samen met A. calvus of A. compressiceps in verband met de mogelijkheid tot kruisingen.

Kweek: De kweek heeft, zoals bekend is bij Altolamprologinen, heeft tijd nodig. Het genus groeit langzaam en dit is vaak ook de reden waarom veel hobbyisten/kwekers er vanaf zien om deze dieren tot nakweek te brengen. De broedzorg is gelijkend met die van zijn familieleden, op het feit na dat de Sumbu meer schelp-gebonden is. Ook het geslachtsonderscheid is vergelijkbaar met A. calvus en A. compressiceps qua bouw. Het mannetje is gemiddeld 3 cm groter van stuk, hoger gebouwd en heeft een langere rug- en aarsvin. Afhankelijk van de vindplaats kleurt het mannetje donker(grijs), en het vrouwtje wit met een streeppatroon. Beide geslachten hebben gele borstvinnen en een gele staartvin en bij sommige exemplaren wordt een gele verkleuring boven de ogen waargenomen.