Cyphotilapia gibberosa

Cyphotilapia gibberosa

Cyphotilapia gibberosa

Lengte: 35 cm - 25 cm
Legsel: 40 eieren
Aquarium: 200 cm - 720 liter
Voeding: Droogvoer, diepvries en levend voer.
Verspreiding: Beperkt zich toch het zuidelijke gedeelte in het meer.
Habitat: De C. gibberosa leeft in de rotsachtige gebieden met sendiment op diepten tot 80 meter.


Ervaring: Een van de grotere cichlide soorten uit het tanganyika meer. Dit is een zeer rustige vis die het beste in een groep van minimaal 5 exemplaren gehouden kan worden. De vis leeft voornamelijk boven en tussen de rotsen, mede afhankelijk van de gekozen inrichting. Geschikte inrichting is een aquarium ingericht met grote rotsen en als bodembedekker zand. De Gibberosa's zijn qwa kleur zeer aantrekkelijk in tegenstelling tot de wat grouwere soorten uit het Tanganyika meer. Het eigen karakter van deze soort maakt het een aantrekkelijke vis om te houden. Gibberosa’s afkomstig uit Tanzania en Zambia zijn karakter wat feller en actiever als de gibberosa’s afkomstig uit Zaire (Democratic Republic of the Congo). Ook zullen de soorten uit Tanzania en Zambia zich in het aquarium meer gedragen als groep terwijl de soorten uit Zaire zich meer in harems zullen ophouden. De frontosa is tegen medebewoners in het aquarium zeer vreedzaam, wel moet hierbij vermeld worden dat ze kleine vissen ook als voedsel kunnen zien. Tegen soortgenoten kan er enigzins agressie ontstaan en wanneer 2 mannen strijden om de Alpa plek (leider van de groep) kunnen deze elkaar flink verwonden.

Kweek: Gibberosa’s zijn in tegenstelling tot de frontosa’s wel vissen die moeilijk kunnen zijn om te kweken. Bij sommige groepen kan het heel snel gaan maar er zijn ook groepen bekend die de eerste jaar totaal geen kweekgedrag vertonen. Als het vrouwtje zich bereid toont komt het geheel langzaam op gang. Bij dit gebeuren vertoont de man geen grote spectaculaire show zoals bij vele andere soorten, alleen de blauwkleuring verandert zich tijdens het paaien. Het vrouwtje kan bij de eiafzetting verbleken. Net als in andere situaties is bij het paaien het gedrag van de Cyphotilapias erg rustig . Het afzettingsgedrag verschilt echter van het gebruikelijke patroon. Het mannetje neemt het initiatief en zwemt voorop, naar de afzetplaats toe. Daar aangekomen vertraagt hij en terwijl hij met zijn genitaliën over de bodembedekking glijdt, stort hij zijn sperma op deze plaats. Het wijfje volgt hem op de voet en wanneer het mannetje van de broedplaats wegzwemt zet ze één tot drie eieren op deze plaats af. Vervolgens zwemt ze eventjes achterwaarts, gaat dan op de kop staan en neemt de (bevruchte) eieren in de muil.

Het totale aantal eieren per broedsel schommelt tussen een tiental tot ruim veertig eieren. De eieren zijn ongeveer 6 mm lang en wanneer de jongen vier tot vijf weken later voor het eerst worden vrijgelaten zijn ze ongeveer 20 mm lang. Jonge vrouwtjes eten hun eerste kroost vaak op. Bij de gibberosa’s komt dit vaker voor als bij de frontosa’s. Op het tijdstip dat de jongen vissen uit de muil van de moeder komen zijn ze al tamelijk groot en redelijk zelfstandig. Dit maakt het kweken makkelijker. Jongen Cyphotilapias eten dan ook vaak probleemloos het voor hun geschikte voer. Gibberosa’s zijn tussen de 2,5 en 3,5 jaar geslachtrijp.

Kijk voor meer informatie over de Cyphotilapia soorten op Mopampa.