Lophiobagrus brevispinis

Lophiobagrus brevispinis

Lophiobagrus brevispinis

Lengte: 8 cm - 6 cm
Aquarium: 60cm - 60 liter
Voeding: Droogvoer wordt goed aangenomen maar af en toe diepvries zoals muggenlarven, mysis of artemia is een vereiste.
Habitat: In de buurt van rotsformaties in het Tanganyikameer.


Ervaring: Lophiobagrus brevispinis is een van de kleinere meervallen uit het Tanganyikameer, door zijn grote ogen is hij een grappige verschijning in het aquarium. Dit meervalletje is zeer vreedzaam en bemoeit zich niet met andere vissen in het aquarium. Ook zijn soortgenoten laat hij met rust. Hierdoor en ook door zijn lengte is het mogelijk om dit visje al in kleinere aquaria te houden. Een koppel kan al in een 60 cm aquarium.
Ook al heeft dit visje een grote bek voor zijn formaat, hij zal geen vissen pakken, zelfs niet degene die in zijn bek zouden kunnen passen. Alleen jongbroed kan gevaar lopen maar dit is eigenlijk bij alle vissoorten het geval. Ze kunnen als koppel of in een klein groepje gehouden worden. Een klein groepje heeft hierbij toch de voorkeur omdat deze visjes zich vooral in het begin haast niet laten zien. Dit visje heeft dan ook veel schuilmogelijkheden nodig, grote stenenhopen vinden ze geweldig en ze graven er hun eigen holletjes langs. Zorg dus voor een stabiele constructie! Zijn ze eenmaal gewend aan het aquarium dan zullen ze ook met licht zo nu en dan door de bak gaan zwemmen. Ik heb er zelf 3 waarvan de kleinste zich als een schelpcichlide gedraagt, dit beestje zit vaak in een slakkenhuisje en komt er alleen uit bij het eten. Maar ik denk dat dit eerder uitzondering dan regelmaat is. Deze visjes zijn wel gravers en kunnen ook door hun grote bek grote hopen zand verschuiven. Ze zullen echter geen diepe kuilen maken.

Extra informatie: Voor u wilt gaan kweken met dit meervalletje moet u zich zeker maken van 2 dingen.
Het eerste is of u wel de goede soort heeft, L. brevispinis (6-8 cm) lijkt erg veel op L. cyclurus (10-12 cm). Toch zijn er enkele verschillen te vinden, L. cyclurus heeft namelijk witte randen aan zijn vinnen, L. brevispinis heeft dit niet. L. brevispinis heeft een langer lichaam terwijl L. cyclurus wat forser gebouwd. Daarnaast heeft L. brevispinis wat grotere ogen die wat meer uit de kop steken. Dit geeft de visjes dat grappige kikkereffect.
Wanneer u ervan verzekerd bent dat u L. brevispinis heeft moet u de geslachten kunnen onderscheiden, dit is echter alleen te zien bij volwassen exemplaren. Mannetjes worden in het algemeen groter en hebben vanaf boven gezien een breder hoofd. Vrouwtjes hebben een dikke buik. Als u een koppeltje wit hebben kunt u het beste een visje pakken met een brede kop die iets groter is dan de rest en een visje dat een goed gevulde buik heeft en een smallere kop heeft. Als u eenmaal in het bezit bent van een koppeltje kunt u ze in een aquarium doen vanaf 60 cm lengte. L. brevispinis is een holenbroeder. Een dikke laag zand met veel rotsen en schuilplaatsen zal nodig zijn. Leg er een paar 10-15 cm lange Pvc-buisjes in met een diameter van 3 cm die aan 1 kant gesloten zijn. Nu moet u de dieren goed voeren met levend- en diepvriesvoer en u zult elke week een waterverversing moeten doen van 25-35 %.
De waterwaardes zijn verder niet erg belangrijk zolang de Ph boven de 7,5 blijft en u met kraanwater ververst bereikt u goede waterwaardes. Het koppeltje zal wanneer de tijd rijp is zich in een Pvc-buisje verschuilen en daar de eitjes leggen en bevruchten. Ze zullen daar 3 weken in blijven zitten om het legsel te beschermen. Meestal verlaat het vrouwtje het legsel wat eerder doordat ze eerder honger heeft. Alleen in een overbevolkt aquarium zal ook het vrouwtje er de hele tijd bij blijven. Het mannetje zal tot het einde blijven waken.
De jongen moeten een lange tijd met artemia-nauplieā€°n gevoerd worden. De vissen groeien erg langzaam op.