Ophthalmotilapia ventralis

Ophthalmotilapia ventralis

Ophthalmotilapia ventralis

Lengte: 15 cm - 13 cm
Legsel: 30 eieren
Aquarium: 150 cm - 500 liter
Voeding: Witte, zwarte muggenlaren, mysis, daphnia, artemia, vlokvoer etc.
Verspreiding: Komen voor in 3 kwart van het meer. Ze komen langs de westelijke en oostelijke oevers van het meer voor.
Habitat: De O. ventralis wordt aangetroffen in de bovenste waterlagen in de rotsachtige habitats.


Ervaring: De O. ventralis is een mooie, sierlijke vis. De mannetjes kunnen echter heel wat territorialer en dus drukker zijn als ze eenmaal een eigen territorium hebben. Dan zijn ze continue bezig met het imponeren van vrouwtjes en het verjagen van andere mannetjes.
Het geslachtsonderscheid is overigens heel duidelijk te zien, daar de mannetjes kleurrijk zijn en de vrouwtjes een saaie, fletse kleur hebben. Tevens hebben de mannetjes verlengde buikvinnen. Deze gebruiken ze veelvuldig bij het imponeren en deze worden ook gebruik bij de paring. De kleurenpracht van de mannetjes kan per vindplaats nogal verschillen.

De inrichting van het aquarium hoeft niet al te lastig te zijn. Zolang er maar een ruim zandoppervlak is, alwaar de mannen hun zandkuilen kunnen graven (lees: territorium). In deze zandkuilen verwelkomen ze, na het nodige imponeergedrag, de vrouwtjes.
Her en der een rotspartij kan het geheel dan afmaken, zolang er maar rekening wordt gehouden dat de vrouwen en, indien aanwezig in de bak, andere mannen zich kunnen terugtrekken. Overigens is het houden van meerdere mannen pas aan te raden in echt grote bakken (d.w.z. vanaf zo'n 2 meter).

De O. ventralis is goed te combineren met andere soorten uit het meer, zolang het maar geen stressgevoelige soorten zijn.

Ikzelf heb een aantal jaren de Sumbu variant gehad in een bak van 130x50x60. Ik had 1 man en 3 vrouwen in combinatie met een koppeltje Altolamprologus sp. "compressiceps shell" Sumbu, een koppel Neolamprologus tretocephalus en een groepje Synodontis lucipinnis.
Binnen dit bestand zijn eigenlijk nooit echt problemen geweest, al zijn een volwassen O. ventralis man en een volwassen N. tretocephalus wel degelijk aan elkaar gewaagd als laatstgenoemde binnen het territorium van de O. ventralis komt.

Kweek: Het mannetje lokt het vrouwtje naar een ondiepe kuil van 15 tot 25 cm. doorsnee, alwaar tot 30 eitjes worden afgezet. Deze nesten zijn, bij voldoende ruimte, bovenop een grote rots gesitueerd. Het zand in het kuiltje is van kleine oneffenheden ontdaan. De vrouwtjes, die 2-3 cm. kleiner blijven dan de mannetjes, nemen de muilbroedzorg voor 3 tot 4 weken op zich. Na het uitspuwen van de jongen zorgen ze niet meer voor hen. De vrij grote jongen van ongeveer anderhalve cm. kunnen daarna worden gevoerd met Artemia-Naupliën, gezeefde cyclops en fijngewreven droogvoer. Omdat ze graag een aandeel plantaardig voer opnemen, kan er aan de jongen nu al fijngewreven Spirulina-vlok worden gegeven.